De techniek

DE TECHNIEK
Het petanque kent twee basisworpen: het plaatsen of pointeren (van het Franse woord pointer, richten) en het schieten of tireren (van tirer, schieten; onze zuiderburen spreken ook wel van trekken, zoals in de trekker van een geweer over halen).
De speler die moet plaatsen wordt pointeur genoemd, de speler die moet schieten tireur(in triplettevorm is er ook nog de millieu die is allround). Oftewel in het Nederlands respectievelijk plaatser en schutter. Het plaatsen van een boule is het werpen van een boule met als doel deze zo dicht mogelijk bij het but te laten eindigen. Het schieten is een worp waarbij een boule wordt ‘‘weggeketst’.
De keuze tussen plaatsen of schieten is altijd een kwestie van tactiek.
Het plaatsen
Het plaatsen van een boule kan, zoals we zo dadelijk zullen zien, op drie verschillende manieren worden gedaan. Speel altijd onderhands.

Tracht van begin af aan de boule goed vast te houden, vóór in de hand in de vingers (maar niet tussen de vingertoppen!). De vingers drukken losjes gesloten tegen de boule aan en de duim, die verder geen rol van betekenis speelt, sluit de boule eveneens losjes aan de zijkant op. Op deze wijze wordt de boule voor iets meer dan de helft door de hand omvat, ongeveer zoals je een vogeltje zou vasthouden. Let op dat de boule bij het werpen altijd de hand via de vingertoppen verlaat, voor de benodigde controle en de juiste richting.

Rollend plaatsen.
De eerste manier van plaatsen is de rollende. De boule valt daarbij kort voor de speler op de grond – plusminus 1 tot 2 meter – en legt het gehele verdere traject rollend af (tussen haakjes, de plek waar de boule voor het eerst op de grond neerkomt heet de donnee, in het Frans: donnée, landingsplaats). Een rollend gespeelde boule geeft de meeste zekerheid, en in het bijzonder geldt dat voor beginnende spelers en op gladde en vlakke terreinen.

Plaatsen door middel van een demi-portee.
De tweede manier is de zogeheten demi-portee (portée in het Frans betekent reikwijdte, met andere woorden, de afstand tussen de werpcirkel en de donnee). Bij deze worp komt de boule ongeveer halverwege de cirkel en het but op de grond neer, om vervolgens rollend zijn weg te vervolgen. De meeste spelers maken gebruik van deze wijze van spelen, doch altijd afhankelijk van de aard van het terrein.

Plaatsen door middel van een portee.
De derde manier van plaatsen, en tegelijk de allermoeilijkste en slechts weggelegd voor zeer ervaren spelers, is de volledige of hoge portee. Bij deze worp wordt de boule zeer hoog de lucht in geworpen om vervolgens bijna loodrecht neer te komen in de directe omgeving van het but. Wanneer zo’n boule goed gespeeld is, blijft hij vrijwel onmiddellijk stilliggen op de plaats waar hij is neergekomen. Een portee wordt vaak toegepast op zachte en ruwe terreinen of wanneer er zich een obstakel bevindt tussen de cirkel en het but (een obstakel kan ook bestaan uit een verzameling boules voor het but die de normale doorgang over de grond versperren). Samengevat, rollend gespeelde boules gaan altijd zeer laag over de grond, demi-portees halfhoog door de lucht, tot ongeveer 2,5 meter, en echte portees zeer hoog in de lucht tot soms wel zo’n 10 meter. Maar pas op, uitsluitend zeer ervaren spelers mogen deze laatste worp toepassen!

Het schieten
Het schieten is een uiterst belangrijke en moeilijke discipline in het petanquespel. Zonder een goede schutter in het team is het vrijwel onmogelijk om veel partijen te winnen. Een boule die niet of nauwelijks te verbeteren valt, dient meteen geschoten te worden. Bovendien kan een goede schutter aan het einde van een werpronde veel extra punten voor zijn team verdienen.
In tegenstelling tot het plaatsen is het schieten veeleer een kwestie van reflex, van instinct bijna. Het is een aangeboren talent. Pointeren of plaatsen is een zaak van goed kijken, van nadenken, van schatten, van overwegen en van het berekenen van het juiste traject. Niets van dat alles bij het schieten. Een schutter concentreert zich slechts enkele seconden op de boule die hij moet raken, haalt uit en werpt zijn boule. Vanwege die korte noodzakelijke concentratie heeft een schutter altijd doodse stilte nodig.
Er mag niets of niemand bewegen, zeker niet in het verlengde van zijn gezichtsveld. De minst geringe onverhoedse beweging van een speler of toeschouwer, of zelfs een onverwacht geluid, kan hem al doen missen. Een schutter die zich niet op zijn gemak voelt, is niet trefzeker. Hij mag door niets gehinderd worden, zelfs niet door iets in zijn hoofd. Op het moment dat hij in de cirkel staat, dient hij slechts oog te hebben voor zijn doelwit. En als hij vervolgens doel treft, wacht hem de bewondering en de lof van zijn medespelers of van het publiek. Iets wat hem helpt wanneer hij even later weer in actie moet komen. Hoewel de kunst van het schieten, zoals gezegd, een aangeboren talent is, zal een schutter toch regelmatig moeten trainen om zijn resultaten te verbeteren. Alleen dat kan hem, en zeker op langere termijn, de nodige vastheid en zekerheid geven.

Staal op staal  (au Fêr) is de beste vorm van schieten vanwege het feit dat op moeilijk terrein je geen last hebt van de steentjes, takjes of heuveltjes en gaten die er zijn.

Over de grond ( a la Rafler) is uitermate geschikt op de meeste nederlandse terreinen omdat deze vaak vlak zijn zonder obstakels als steentjes, takjes of hobbels. (billiardlakens)

Taktiek

over Taktiek valt veel te zeggen maar dat kunt u het best leren op het speelveld!

Reacties zijn gesloten.

Laatste uitslag

05 sep 2018

Uitslagen dinsdag 28 augustus 2018

Sponsorbox

Clubinfo

Clubhuis Chez Fanny

Gagelsweg 27
8331CM Steenwijk

Clubdagen

Dinsdagavond van 19.00 tot 23.00 uur
Donderdagavond van 19.00 tot 23.00 uur
Zaterdagmiddag van 14.00 tot 18.00 uur

Bezoek ons » nu tijdens een van onze clubdagen in ons nieuwe clubhuis »»»